Als Ko Ho Sing laat slachten (voor zijn vleesleveranties), wil hij zelf altijd in de buurt zijn. Hij huurt dan een huis van mevrouw Garot, een Europese. De dochter van deze vrouw is verloofd met sergeant Simon, die
| hoewel van het KNIL |
| behoorlijk slim was. |
Ko Ho Sing tracteert het paar bij hun trouwen op een wajangvoorstelling en een dansfeest. Hij is zelf een groot liefhebber van de wajang (hij reist er de omliggende dorpen voor af). Op traditionele Javaanse dansfeesten danst wie er zin heeft van de mannelijke gasten om beurten tegenover een professionele danseres.
Vleesleveranties, pandhuis, alles loopt goed; Ko Ho Sings rijkdom neemt toe. Als hij aan zijn dochtertje denkt dat er niet meer is, moet hij altijd weer huilen. Hij vat het plan op om er een paar dagen tussen uit te gaan, naar Parangtritis, tegenwoordig (en misschien ook in zijn tijd al) een bekende badplaats aan zee ten zuiden van Djokja. Ze zijn met zijn zessen, alleen mannen, allemaal familie, van zowel Chinese als Javaanse zijde.
Ze doen wat badgasten doen: langs de waterlijn wandelen, een duik nemen, krabbetjes vangen, een kijkje nemen bij Parang Wedang (‘Heetwaterklif’) en Parang Endok (‘Eierklif’). Bij het graf van Seh Maulana, een islamitische heilige, bidt Ko Ho Sing opnieuw om een zoon. Op de terugweg heeft hij het er met een van zijn reisgenoten over of hij niet een derde vrouw zou moeten nemen.
Moeder is langzamerhand meer in Djokja dan in Magelang. Op haar aandringen komt dochter Liang Njo ook over. Dat is gezelliger; tegelijkertijd kan ze mooi helpen bij de twee bruiloften die moeder organiseert, van haar jongste dochter en van haar kleinkind, de dochter van Hok Njo (van de broers en zussen Ho Sing, Hok Njo, Liang Njo, halfbroer Gi Sing, Tjoe Sing en Gwan Njo is alleen Gwan Njo nog niet getrouwd. De kinderen van Hok Njo waren na het overlijden van hun moeder bij Liang Njo in Magelang ondergebracht). Bruidegoms zijn er al; die heeft moeder geregeld, evenals de dag waarop getrouwd gaat worden. Ho Sing benoemt zijn zus Liang Njo prompt tot directeur van het pandhuis, in plaats van broer Tjoe Sing.
Moeder houdt de familie in alle opzichten in het gareel. Ook financieel: Ho Sing draagt aan haar af wat hij verdient. De biograaf schrijft Ho Sings voorspoed toe aan eerbied en gehoorzaamheid jegens zijn moeder.

