
Ko Ho Sing was een modern man die veel van zijn tijdgenoten op Java vooruit was. Hij las een krant, stuurde zijn kinderen naar school, had een dokter, was lid van genootschappen, benutte de telegraaf voor zijn zaken. Merkwaardig dat de biografie van zo’n modern iemand zo’n traditionele vorm meekreeg. Weliswaar vond de overgang van handschrift naar druk op Java later plaats dan in Europa, maar tegen de tijd dat Ko Ho Sing het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde was zelfs voor Javaanse boeken de druk echt al enkele decennia de norm. Niettemin heeft Ko Ho Sings biografie nog de traditionele vorm van het handgeschreven boek.
Of zit hier een drama achter dat wij niet kennen: was het handschrift bedoeld voor de drukker, en heeft hem dat nooit bereikt? Daar komen we niet meer achter. Maar het exemplaar dat ik aan het vertalen ben, is onloochenbaar een met de hand geschreven kopie, passend in de eeuwenoude traditie van vervaardiging en reproductie met de hand.
In het geval van Ko Ho Sings biografie is er sprake van verschillende handen. Dat heeft te maken met de enorme lengte van de tekst – ook in dat opzicht is de biografie ouderwets. Vanouds heeft de Javaan altijd een zekere voorliefde voor de langere tekst gekoesterd, niet zelden van een paar honderd bladzijden. De biografie van Ko Ho Sing is een goede middenmoter met zijn ruim zevenhonderd bladzijden.
In nog een ander opzicht behoorde de biografie van Ko Ho Sing in zijn tijd al tot het verleden: de tekst is in poëzie, niet in proza. Eeuwenlang viel literatuur, met inbegrip van geschiedenis, samen met poëzie. Proza bestond wel maar voor specifieke vakgebieden, zoals theologie of recht. Rond het midden van de negentiende eeuw veranderde dat. De roman en het korte gedicht deden hun intree, voor verhalen en lyrische of bespiegelende ontboezemingen. De oude dichtvorm verdween niet maar kreeg het stempel van traditioneel, van ouderwets.
Ik signaleer deze tegenstrijdigheid maar heb er geen verklaring voor.

