Onderpacht

Onderpachter, van deze of gene belasting of van de opiumverkoop, het gaat Ko Ho Sing goed af en smaakt naar meer. Hij hoeft er weinig voor te doen: de kansen komen naar hem toe, zo lijkt het wel. Op een dag in 1847 – hij is dan 22 jaar – krijgt hij bezoek van iemand die Njo Mo Tjok heet. Die verkoopt opium als onderpachter van iemand anders, en biedt Ho Sing aan om ook voor die pachter te gaan werken. De pachter is akkoord, zegt hij; Ho Sing hoeft alleen maar ja te zeggen. De opium zal hij niet rechtstreeks van de pachter krijgen, maar via een tussenpersoon.

De hele opzet oogt nogal ingewikkeld. Waarom zegt de pachter niet zelf dat hij nog een onderpachter gebruiken kan, en waarom moet de opium via een tussenpersoon afgenomen worden? Hoopt Njo Mo Tjok soms dat hij wat kan verdienen aan een jong en onervaren persoon als Ho Sing? Als dat zo is, dan komt hij van een koude kermis thuis. Het omgekeerde gebeurt.

Ho Sing zegt ja en start de opiumverkoop in het dorp dat Njo Mo Tjok hem toegewezen heeft. Zodra hij door zijn voorraad heen is, laat hij nieuwe voorraad komen. Die nacht slaapt Ho Sing heerlijk, zonder te merken dat zijn huis leeggehaald wordt: de kleren, in onderpand gegeven door klanten die geen geld hadden om de opium te betalen, de nieuwe voorraad opium, alles. Alleen een voorraad tabak hebben de dieven laten staan.

Wat nu? Ko Ho Sing wil zo snel mogelijk nieuwe opium hebben. Maar Njo Mo Tjok weigert hem daar aan te helpen. Volgens de biograaf omdat hij Ko Ho Sing diens succes misgunt. Ho Sing wendt zich in arren moede rechtstreeks tot de pachter, en die komt zonder dralen over de brug. Ho Sing verkoopt nu meer dan ooit. De klanten stromen van heinde en ver toe, zelfs uit het dorp van Njo Mo Tjok.


Copyright © 2025 Willem van der Molen