Nu Ko Ho Sings oudste zus, Hok Njo uit Keboemèn, overleden is, heeft hij nog één zus, Liang Njo. Zij woont, inmiddels ook getrouwd, in Magelang, met de drie kinderen van Hok Njo. Bij haar gaat Ko Ho Sing langs als hij, in 1859, op weg is van Djokjakarta naar Salatiga. Hij heeft een speciaal verzoek:
| een tweede vrouw. |
| Maar jij moet haar uitzoeken. |
| Iemand die helemaal in orde is, |
| geschikt om kinderen te krijgen. |
Liang Njo verzekert hem dat ze haar best doen zal. Ze vindt een geschikte kandidaat, een meisje van twintig en nog maagd (Ko Ho Sing is 34). Padie komt uit Moentilan, tussen Magelang en Djokja. Liang Njo doet niet geheimzinnig over wat de bedoeling is: een huwelijk met haar broer Ho Sing, als zijn tweede vrouw, mits ze kinderen krijgen kan. De moeder van het meisje gaat akkoord.
De vendutie in Salatiga, waarheen Ko Ho Sing op weg was, verloopt gunstig: hij sleept de leverantie van vlees voor het garnizoen in Solo in de wacht, en van de rijst voor Djokja (die had hij al: blijkbaar gelden zulke gunningen alleen voor een bepaalde periode). Thuis in Djokja vertelt hij aan moeder en vrouw alleen over dit deel van zijn reis, niet over wat hij in Magelang heeft gedaan. Nog steeds legt Ko Ho Sing op de leveranties toe.
Uit Magelang stuurt Liang Njo een briefje dat broer ‘haar’ kan komen ophalen. Met een bezoek aan het graf van vader als voorwendsel gaat Ko Ho Sing er op af. Hij bezoekt het graf overigens wel, in een dorp buiten Magelang, namelijk om er te bidden. Het meisje zit klaar bij Liang Njo.
Met de postkoets van tien uur ’s avonds gaat het weer op Djokja aan. Onderweg vraagt Ko Ho Sing Padie het hemd van het lijf; hij maakt grapjes, raakt haar aan en schuift steeds dichterbij. Zij tuurt verlegen naar beneden en zegt niets. Om drie uur in de nacht zijn ze er. Moeder en vrouw zijn nog op; die leggen een kaartje. Ko Ho Sing legt uit wat zijn vrouw zelf meteen geraden had zodra ze het meisje zag. ‘Jij hebt immers geen kinderen,’ zegt hij er ter verduidelijking bij. Ting Njo is sprakeloos.

