Bedevaart

Hoe de confrontatie tussen Ting Njo en Ko Ho Sing met zijn nieuwe vrouw afloopt, vernemen wij niet: de biografie gaat er niet op door.

In 1860 neemt Ko Ho Sing er een liefje bij, een Javaanse vrouw die luistert naar de naam Sri Banon. Hij huisvest haar op een apart adres in Djokja, en geeft haar ƒ 50 per maand voor haar levensonderhoud. Ze is niet tevreden; daarom krijgt ze personeel: twee bedienden.

Op de vendutie in Salatiga, in augustus van dat jaar, haalt Ko Ho Sing nieuwe contracten binnen: naast de rijst en het vlees voor de militairen in Djokja ook de voedselvoorziening voor het ziekenhuis en het vlees voor het garnizoen in Klatèn (een plaats tussen Djokja en Solo). In tegenstelling tot de voorafgaande jaren opereert hij alleen. Eveneens anders dan voorheen maakt hij nu wel winst. Hij opent een tweede pandhuis in Djokja.

Magelang wordt overschaduwd door verdriet. De man van Liang Njo wordt ziek en overlijdt. Hij gaf veel om haar, noteert de tekst. Ook het jongste nichtje, jongste kind van de zus die in het kraambed gestorven was, overlijdt (aan ‘wormen in het hoofd’). Dit gebeurt in 1861. Wat is er met het middelste kind aan de hand? In de biografie staat dat het jongetje zich dwars gedraagt. Het medicijn is afleiding: hij moet Chinees en Nederlands leren. Dat gaat hem goed af.

Een vriend van Ko Ho Sing oppert het idee van een bedevaart naar Imogirie: hij en Ho Sing en nog een derde vriend zitten in hetzelfde schuitje, namelijk dat ze geen van drieën een zoon hebben; waarom niet sultan Agoeng daar om gevraagd? Imogirie is op Java wat Delft voor de Oranjes is. Het ligt 15 kilometer ten zuiden van Djokja. Sultan Agoeng (1613-1645) is een historische vorst die in de loop van de geschiedenis legendarische trekken gekregen heeft.

Het voorstel valt in goede aarde. De bedevaart wordt te voet volbracht; de inspanning blijft draaglijk dankzij de eetstalletjes onderweg. In Imogirie krijgen de pelgrims gastvrij onderdak van de locale opiumkithouder. Hoogtepunt van de bedevaart is het bezoek, de volgende ochtend, aan het graf van sultan Agoeng, dat boven op een heuvel ligt; de pelgrims tellen 365 treden in de trap die naar boven leidt. Daar mediteren en bidden ze. Na nog een nacht bij hun gastheer doorgebracht te hebben, gaan ze weer terug.


Copyright © 2025 Willem van der Molen